Oogstresten

Sinds 1 juni 1998, de datum van inwerkingtreding van het eerste VLAREA, is er een verbod van kracht op het rechtstreeks uitrijden (en onderploegen) in de landbouw van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen die niet voorkomen op de lijst van de secundaire grondstoffen (bijlage 4.1. van VLAREA, nu bijlage 2.2 van het VLAREMA).

Het verbod steunt op volgende argumenten

  • Juridisch: Enkel organisch-biologische afvalstoffen die voorkomen op de lijst van bijlage 2.2 van het VLAREMA mogen gebruikt worden als meststof en/of bodemverbeterend middel.
  • Milieuhygiënisch: Het onderploegen van grote hoeveelheden oogstrestanten kan leiden tot rotting en ongewenste emissies naar lucht, bodem en grondwater.
  • Landbouwkundig: Stoffen die aangewend worden in de land- en tuinbouw moeten nuttig bijdragen aan de kwaliteit van de bodem en een landbouwkundige meerwaarde bezitten. De meerwaarde van de verwerking van organisch-biologische afvalstoffen ligt o.a. in de betere stabilisatie, hygiënisatie en uitgerijptheid met een meer gecontroleerde stikstofmineralisatie. Bij het ongecontroleerd op het land brengen van oogstrestanten is dat niet het geval.
  • Beleidsmatig: De verwerking van organisch-biologische afvalstoffen tot een kwaliteits- en waardevolle meststof en/of bodemverbeterend middel is bindend (zie publicatie).

Het verbod geldt niet voor

  • De organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen vernoemd in de bijlage 2.2. van het VLAREMA, mits voorafgaande analyse.
  • Oogstresten ontstaan op het landbouwbedrijf, indien ze binnen hetzelfde landbouwbedrijf en zonder het bedrijf te hebben verlaten, op een landbouwkundige en milieuhygiënisch verantwoorde wijze worden toegepast.
    Binnen hetzelfde landbouwbedrijf wil zeggen dat de oogstresten op eigen gronden moeten worden toegepast; hiertoe behoren ook gepachte gronden. Het onderploegen moet natuurlijk ook een landbouwkundige meerwaarde hebben, zoniet is er sprake van het achterlaten van afvalstoffen.