Definitieve opslag van uitgegraven bodem

Het opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, met niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie wordt behandeld in rubriek 60 van het VLAREM en is een vergunningsplichtige activiteit.

Bij het opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten is de opslag van uitgegraven bodem definitief. De put is de eindbestemming en het opvullen is de uiteindelijke toepassing van de uitgegraven bodem. Het spreekt voor zich dat ook hier alle regels van het grondverzet gelden.

Om te bepalen welke kwaliteit de uitgegraven bodem minstens nodig heeft voor de opvulling van een vergunde groeve of graverij wordt niet enkel de kwaliteit van de omringende bodem in rekening gebracht. Een studie uitgevoerd door een bodemsaneringsdeskundige, volgens een code van goede praktijk, levert het bewijs dat het gebruik van de uitgegraven bodem als bodem geen verontreiniging van het grondwater kan veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigde stoffen geen extra risico oplevert. Dit inzicht wordt via verschillende wegen verworven , maar een degelijke geologische en hydrogeologische kennis, gestoeld op een voldoende grote set van lokale metingen is een  voorwaarde. Een grondige hydrogeologische karakterisatie vormt immers de basis voor het bepalen van eventuele risico's als gevolg van het opvullen van de groeve met vreemde gronden.

VITO maakte in oktober 2005 de code van goede praktijk - Studie ontvangende groeve en graverij - op. Deze code is in 2013 herwerkt en wordt gebruikt als leidraad voor de studie die bij de vergunningsaanvraag gevoegd wordt.