Wijziging Bodemdecreet

Vanaf 1 januari 2015 zal het Bodemdecreet wijzigen. Dit is het resultaat van een evaluatie na vijf jaar praktijkervaring met de recente bodemwetgeving. Op basis van eigen ervaring van de OVAM en bevragingen bij relevante actoren zijn hiaten, knelpunten en verbetertrajecten in de bestaande regelgeving geïdentificeerd en zijn oplossingen uitgewerkt.

Inhoudelijk worden volgende belangrijke wijzigingen voorgesteld:

Daarnaast zullen ook andere wijzigingen worden doorgevoerd die de bestaande regeling optimaliseren :

  • De aflevertermijn van niet-dossiergebonden bodemattesten wordt verkort van dertig naar veertien dagen. Bodemattesten die betrekking hebben op een grond die in grondeninformatieregister opgenomen is, de zogenaamde 'dossiergebonden' bodemattesten blijft de OVAM afleveren binnen een termijn van zestig dagen.
  • De OVAM zal de conformiteit van oriënterende bodemonderzoeken beoordelen binnen een termijn van zestig dagen, ook bij onderzoeken in het kader van periodieke onderzoeksplicht.
  • De specifieke regeling over risicobeheer wordt geschrapt. De doelstellingen van risicobeheer kunnen immers gerealiseerd worden met toepassing van de gefaseerde aanpak in een bodemsaneringsproject.

Voor het volledige aangepaste Bodemdecreet, verwijzen we onderaan deze webpagina bij 'Publicaties' naar de geconsolideerde versie van het Bodemdecreet en de Memorie van Toelichting hieromtrent.

Wijziging overdrachtsprocedure risicogronden

In de huidige regeling voor de overdracht van risicogronden moet de overdrager de geplande overdracht aan de OVAM melden via een standaardmeldingsformulier. Als bijlage voegt hij een verslag van het oriënterend bodemonderzoek toe. De melding vormt voor de OVAM de aanleiding om de overdrager indien nodig aan te manen tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek. Door die aanmaning kan de geplande overdracht wettelijk niet plaatsvinden. Eerst moet het bodemonderzoek uitgevoerd en beoordeeld worden. Dat brengt op zijn beurt mogelijk verdere verplichtingen met zich mee. Is het terrein verontreinigd en is bodemsanering nodig, dan moet de overdrager over een conform bodemsaneringsproject beschikken. Bovendien verbindt hij zich er met een financiële zekerheid toe de saneringswerken ook effectief uit te voeren.

Met de wijziging van het Bodemdecreet is de bestaande regeling aangepast. De overdrager moet de overdracht van een risicogrond niet langer aan de OVAM melden. De overdager moet wel nog voorafgaand een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren en het verslag ervan aan de OVAM bezorgen. De OVAM zal het verslag van oriënterend bodemonderzoek binnen een termijn van zestig dagen beoordelen. Als uit het oriënterend bodemonderzoek blijkt dat verdere maatregelen noodzakelijk zijn, zal de overdracht op basis van het gewijzigde Bodemdeceet voorlopig niet kunnen plaatsvinden. Eerst zal het beschrijvend bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd waaruit moet blijken of een bodemsanering noodzakelijk is.

In de gewijzigde regeling zal de OVAM bijgevolg de overdrager niet meer moeten aanmanen tot het uitvoeren van een beschrijvend bodemonderzoek vooraleer de overdracht kan plaatsvinden, maar volgt die verplichting op basis van de resultaten van het oriënterend bodemonderzoek rechtstreeks uit het Bodemdecreet zelf. Hetzelfde geldt als uit het beschrijvend bodemonderzoek tot uiting komt dat bodemsanering noodzakelijk is. Uit de bepalingen van het Bodemdecreet volgt dan de verplichting dat voorafgaand aan de overdracht een bodemsaneringsproject moet worden opgemaakt waarvoor een conformiteitsattest is afgeleverd, de verbintenis is aangegaan om bodemsaneringswerken uit te voeren en een financiële zekerheid is gesteld tot waarborg van de uitvoering van die verbintenis.

In de aangepaste regeling zullen de partijen die bij de overdracht betrokken zijn (overdrager, verwerver en notaris)op basis van de informatie in het bodemattest of het conformiteitsattest van het oriënterend bodemonderzoek en het eventuele beschrijvend bodemonderzoek moeten nagaan welke bodemonderzoek- of saneringsverplichtingen nodig zijn vooraleer de overdracht kan plaatsvinden. Meer verantwoordelijkheid voor de betrokken partijen. Daartegenover staat een vermindering van de administratieve lasten voor de overdrager.

Geen melding- en onderzoekverplichting bij onteigening

De verplichting tot bodemonderzoek bij de onteigening zal vervallen.

Het huidige Bodemdecreet bevat een specifieke regeling voor de onteigening van gronden. Zo is voorzien dat de onteigenende overheid bij de onteigening van een risicogrond verplicht een oriënterend bodemonderzoek moet uitvoeren. Als uit dit bodemonderzoek verontreiniging blijkt die aanleiding geeft tot verder bodemonderzoek, zal de onteigenende overheid ook nog een beschrijvend bodemonderzoek moeten uitvoeren waarbij de omvang en de ernst van de verontreiniging volledig in kaart wordt gebracht. Pas na de conformverklaring van het beschrijvend bodemonderzoek door de OVAM en dus op het moment dat de onteigenende overheid de volledige verontreinigingssituatie kent, kan de onteigening plaatsvinden.

Die regeling is momenteel echter zo ingeburgerd dat er geen noodzaak meer bestaat om dit als een verplichting in de wetgeving in te schrijven. Een normaal zorgvuldige overheid zal zich ook zonder die verplichting voorafgaand vergewissen of een verontreiniging het gebruik van de grond kan belemmeren en in dat kader voorafgaand dus best een oriënterend bodemonderzoek wordt uitgevoerd. Naast de schrapping van de decretale verplichting voor de onteigenende overheid om een oriënterend bodemonderzoek uit te voeren, werd uiteraard voorzien dat de onteigenende overheid het recht heeft om vrijwillig een bodemonderzoek te doen. Een eigenaar van een grond die het voorwerp uitmaakt van onteigening zal dit moeten toelaten.
De gewijzigde regeling mag er uiteraard niet toe leiden dat bij de onteigening onduidelijkheid bestaat over de saneringsplicht voor de eventueel aanwezige bodemverontreiniging. Om rechtsonzekerheid te vermijden, wordt die plicht duidelijk geregeld. Het uitgangspunt is dat de uitvoering van de bodemsanering na de onteigening gebeurt en dat de saneringsplicht rust bij de onteigenende overheid. Het is namelijk weinig doelmatig om de onteigende te belasten met de uitvoering van de bodemsanering. Het gaat om een zelfstandige saneringsplicht voor de onteigenende overheid die volgt uit het Bodemdecreet zelf ten gevolge van de onteigening. Daarmee hangt samen dat de saneringsplicht voor die verontreiniging bij de onteigende eigenaar of exploitant of gebruiker op het terrein vervalt op het moment van de onteigening.

Met die saneringsplicht van de onteigenende overheid hangt logischerwijze samen dat bij het bepalen van de onteigeningsvergoeding rekening wordt gehouden met de geraamde kostprijs van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering. Omwille van de rechtszekerheid wordt dit nu ook decretaal geregeld. De waarde van de grond moet worden afgewogen rekening houdend met de lasten die erop rusten. Het kan niet betwist worden dat de waarde van grond vóór de sanering ervan wordt beïnvloed door de kosten die het beschrijvend bodemonderzoek en de bodemsanering voor een verwerver met zich meebrengen. Door de kosten van het beschrijvend bodemonderzoek en/of de bodemsanering in aanmerking te nemen bij het bepalen van de waarde van de onteigende grond wordt aan de onteigende een billijke onteigeningsvergoeding toegekend.

De verrekening in de onteigeningsvergoeding gebeurt niet als de saneringsplicht vóór de onteigening rust op de exploitant (voor zover het gaat om een ander persoon dan de eigenaar) of op de gebruiker van de te onteigenen grond. In dat geval kan de onteigenende overheid de kosten van het beschrijvend bodemonderzoek of de bodemsanering verhalen op de aansprakelijke.

Oplossing voor vermengde bodemverontreinigingen

Bij een zogenaamde ‘vermengde verontreiniging’ is de vervuiling tot stand gekomen in verschillende periodes en/of op verschillende gronden, waarna de verontreinigende stoffen zich hebben vermengd. Bovendien zijn er meerdere saneringsplichtige personen, maar het is technisch niet mogelijk om exact te bepalen wie saneringsplichtig is voor welk deel van de verontreiniging.

In de huidige regeling proberen de betrokken saneringsplichtigen in onderling overleg, eventueel met bemiddeling van de OVAM, afspraken te maken over de aanpak en sanering van een vermengde bodemverontreiniging. Als dit niet lukt is de OVAM ertoe gehouden om op te treden op basis van het Milieuhandhavingsdecreet..

In het gewijzigde Bodemdecreet wordt een specifieke regeling opgenomen voor vermengde bodemverontreiniging. Als de saneringsplichtigen onderling of via bemiddeling niet tot een oplossing komen, kan de OVAM een bodemverontreiniging formeel kwalificeren als ‘vermengde bodemverontreiniging’. De saneringsplichtigen worden dan samen verantwoordelijk gesteld voor de sanering. De financiering gebeurt op basis van een door de OVAM vastgestelde verdeelsleutel.
Het nieuwe beleidsinstrument moet ervoor zorgen dat we in complexe gevallen van vermengde bodemverontreiniging efficiënt aan een oplossing kunnen werken en snel de bodemkwaliteit kunnen verbeteren. Deze aanpassing aan het decreet wordt echter nog niet van kracht op 1 januari 2015: de Vlaamse Regering moet de criteria voor de verdeelsleutel nog in het VLAREBO vaststellen.

Wijzigingen in vrijstelling van saneringsplicht

Opdeling van saneringsplicht en vrijstelling in tijd

Het gewijzigde Bodemdecreet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid tot zogenaamde opdeling van saneringsplicht voor de bodemverontreiniging in de tijd. Dit betekent dat de aangewezen saneringsplichtige persoon vrijstelling van saneringsplicht kan bekomen voor een deel van de verontreiniging. Voor het deel van de bodemverontreiniging waarvoor de exploitant vrijstelling van saneringsplicht krijgt, kan de eventuele gebruiker in saneringsplicht worden aangesproken, en als de gebruiker hiervoor wordt vrijgesteld, finaal de eigenaar van de betreffende grond. Als ook de eigenaar voor het deel vrijgesteld wordt, kan de OVAM in toepassing van artikel 157 van het Bodemdecreet beslissen tot ambtshalve uitvoering van het beschrijvend bodemonderzoek of bodemsanering voor het betreffende deel van de bodemverontreiniging. Dit geldt zowel voor nieuwe, historische en gemengde bodemverontreiniging.

Versoepeling vrijstellingsvoorwaarden bij nieuwe bodemverontreiniging

De eigenaar die voor een nieuwe bodemverontreiniging op basis van het Bodemdecreet saneringsplichtig is, kan vrijstelling van die saneringsplicht bekomen als voldaan is aan de in het Bodemdecreet opgesomde voorwaarden. Eén van de vrijstellingsvoorwaarden is dat er sinds 1 januari 1993 op de betreffende grond geen risico-inrichting gevestigd is (artikel 12, §2, 4° Bodemdecreet). Deze vrijstellingsvoorwaarde wordt vanaf 1 januari 2015 geschrapt, zodat de mogelijkheid tot vrijstelling van saneringsplicht voor de saneringsplichtige eigenaars wordt verruimd.

Onderzoeksplicht bij 'aanwijzing ernstige bodemverontreiniging'

Een van de doelstellingen van het Bodemdecreet is om gegevens over de bodemkwaliteit van gronden gelegen in het Vlaamse Gewest te verzamelen, in het bijzonder om verontreinigde gronden te identificeren en te inventariseren. Als instrument om deze doelstelling te realiseren, voorziet het Bodemdecreet in een aantal verplichte bodemonderzoeksmomenten (overdracht van risicogronden, sluiting van risico-inrichting, periodieke onderzoeksplicht voor welbepaalde risico-inrichtingen en faillissement van de eigenaar van een risicogrond).

Deze verplichte onderzoeksmomenten vangen evenwel niet alle gevallen op waarin het vanuit het oogpunt van het algemeen belang (bescherming van mens en milieu) of de volledigheid van de inventarisatie aangewezen is om een bodemonderzoek op een grond te laten uitvoeren.

Bijvoorbeeld:

  • in de omgeving van een drinkwatergebied worden op verschillende gronden risico-inrichtingen uitgeoefend die niet onderworpen zijn aan de periodieke bodemonderzoeksplicht. Er bestaat ook geen voornemen om die risicogronden in de nabije toekomst over te dragen. Wel zijn er aanwijzingen dat de exploitatie van de risico-inrichtingen mogelijk aanleiding hebben gegeven tot grondwaterverontreiniging (visueel onzorgvuldige exploitatie of langdurige exploitatie met opstart in een periode dat er weinig of geen aandacht was voor bodembeschermende maatregelen) die in voorkomend geval een negatieve invloed kan hebben op de drinkwaterwinning. De instrumenten opgenomen in het preventieve luik van het Milieuschadedecreet (Titel XV van het Decreet houdende Algemene Bepalingen inzake het Milieubeleid) kunnen voor die gevallen veelal niet ingezet worden.
  • een grond waarop in het verleden een gasfabriek of droogkuis werd geëxploiteerd en waarvoor zich nog geen decretaal onderzoeksmoment heeft aangediend. Uit ervaring is geweten dat dergelijke activiteiten een groot verontreinigingspotentieel hebben en er dus vermoedelijk historische bodemverontreiniging aanwezig is die moet gesaneerd worden gelet op de bescherming van mens en milieu. Het Milieuschadedecreet (preventieve luik) kan ook in deze gevallen niet toegepast worden.

Het toepassingsgebied van dit instrument beperkt zich niet alleen tot gevallen waarbij er op basis van (beperkt) beschikbare bodemonderzoeksgegevens (eventueel van belendende terreinen) aanwijzingen zijn dat op een welbepaalde grond een ernstige bodemverontreiniging aanwezig is. Het instrument kan ook worden ingezet in gevallen waarbij geen concrete bodemonderzoeksgegevens beschikbaar zijn, maar waarbij op basis van de historiek, de duur en de tijdsperiode van de exploitatie van inrichtingen met een verhoogd risico op bodemverontreiniging op een welbepaalde gronden er vermoedens zijn van de aanwezigheid van een ernstige bodemverontreiniging op die grond.