Wijziging Bodemdecreet van 29 november 2017

­­Wijziging Bodemdecreet

Op 29 november 2017 keurde het Vlaams Parlement een wijziging van het Bodemdecreet goed. Het wijzigingsdecreet verscheen op 2 februari 2018 in het Belgisch Staatsblad en de meeste bepalingen treden 10 dagen na de publicatie in werking.  De teksten houden enkele belangrijke aanpassingen in van het Vlaams bodembeleid. Zo komt er een verplicht bodemonderzoeksmoment voor nog niet onderzochte gronden met een potentieel historische bodemverontreiniging en wordt de veralgemeende conformverklaring van bodemonderzoeken afgeschaft. Door deze wijzigingen wordt een belangrijke stap gezet om te garanderen dat de sanering van alle verontreinigde gronden in Vlaanderen tegen 2036 is opgestart.

In het wijzigingsdecreet zijn vier belangrijke inhoudelijke wijzigingen voor het bodembeleid opgenomen:

  • de invoering van een verplicht bodemonderzoeksmoment voor nog niet onderzochte gronden met potentieel historische bodemverontreiniging met de mogelijkheid tot vrijstelling van de onderzoeksplicht voor particulieren;
  • de afschaffing van de veralgemeende conformverklaring van bodemonderzoeken en de auditing van de erkende bodemsaneringsdeskundigen;
  • de versoepeling van de voorwaarden voor de sectorfondsen;
  • de inkanteling van het gebruik van bodemmaterialen (bagger- en ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib) in de regeling over het gebruik van uitgegraven bodem.

Verplicht bodemonderzoek voor risicogronden

Eén van de belangrijke doelstellingen van het bodembeleid is om tegen 2036 de sanering van alle historische bodemverontreiniging te hebben opgestart. Volgens schattingen zijn er ruim 80 000 risicogronden, waarvan er op dit ogenblik ongeveer 40 000 zijn onderzocht. Een groot aantal van die gronden zijn niet gevat door verplichtingen tot bodemonderzoek. Het gaat daarbij vooral om volgende risicogronden:

  • risicogronden met risico-inrichtingen die reeds in exploitatie zijn van vóór 29 oktober 1995 en geen periodieke onderzoeksplicht hebben;
  • risicogronden met vroegere risico-inrichtingen waarvan de exploitatie begonnen is vóór 29 oktober 1995;

Om de doelstelling van onderzoek en bodemsanering van de gronden met historische bodemverontreiniging tegen 2036 te realiseren, voorziet de wijziging van het decreet in een instrument om ook de nog niet onderzochte risicogronden en de eventuele aanwezige historische bodemverontreiniging aan de oppervlakte te krijgen zodat de bodemkwaliteit van alle gronden met historische risico-activiteiten gekend is.

Daar de doorloopfase van oriënterend bodemonderzoek tot de bodemsaneringswerken tot 8 jaar kan duren, is het van belang tegen 2028 de bodemonderzoeken afgerond te hebben. Om alle bodemonderzoeken afgerond te hebben in 2028, is het opleggen van een verplicht onderzoeksmoment noodzakelijk. Uiterlijk begin 2027 dient er een oriënterend bodemonderzoek te zijn voor alle risicogronden met potentieel historische bodemverontreiniging. Om de uitvoering van die oriënterende bodemonderzoeken in de tijd te spreiden, wordt in een wijzigingsdecreet voorzien in een fasering van de onderzoeksplicht, nl. een uitvoering tegen eind 2021, eind 2023 en begin 2027.

Voor de risicogronden met nog in exploitatie zijnde risico-inrichtingen die reeds in exploitatie zijn van vóór 29 oktober 1995 en geen periodieke onderzoeksplicht hebben, rust de verplichting op de exploitant. Voor de andere categorie, namelijk de risicogronden met vroegere risico-inrichtingen waarvan de exploitatie begonnen is vóór 29 oktober 1995, rust de verplichting tot oriënterend bodemonderzoek op de eigenaar van de grond. De OVAM zal de eigenaars en exploitanten van deze gronden tijdig aanschrijven en op de hoogte brengen van dit verplichte onderzoeksmoment.

In het decreet wordt voorzien in de mogelijkheid om vrijstelling te bekomen van de nieuwe onderzoeksplicht. De doelgroep voor deze vrijstelling zijn eigenaars die cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:

  • de eigenaar heeft de risico-inrichting(en) niet geëxploiteerd;
  • de risico-inrichtingen waren niet aanwezig tijdens zijn eigenaarschap;
  • de eigenaar heeft de locatie sedert de verwerving enkel gebruikt voor particulier gebruik.

Als de eigenaar het eigendomsrecht door vererving heeft verkregen zal hij moeten aantonen dat de erflater voldeed aan de voorgaande vrijstellingsvoorwaarden. Bij vrijstelling van de onderzoeksplicht zal de OVAM het onderzoek ambtshalve uitvoeren.

Opheffing van de veralgemeende conformverklaring van bodemonderzoeken

Om de kwaliteit van bodemonderzoeken en bodemsaneringen te waarborgen, wordt in de bodemwetgeving reeds sedert 1995 voorzien in de verplichte tussenkomst van erkende bodemsaneringsdeskundigen. De ervarings- en kennisopbouw van de erkende deskundigen leidde tot een voortdurende toename van de kwaliteit van de bodemonderzoeken. Het is hierdoor niet langer noodzakelijk en in het licht van een efficiënte inzet van overheidsmiddelen ook niet langer wenselijk dat de OVAM elk bodemonderzoek aan een conformiteitsonderzoek onderwerpt.

Met de wijziging wordt in het Bodemdecreet de veralgemeende conformiteitsbeoordeling van de bodemonderzoeken vanaf 1 april 2018 verlaten. De OVAM beoordeelt bijgevolg niet langer standaard elk bodemonderzoek op haar technische conformiteit. De OVAM behoudt de mogelijkheid om de conformiteit van een ingediend bodemonderzoek te beoordelen maar dit moet gebeuren binnen 60 dagen na de ontvangst van het bodemonderzoek.

Op basis van het verslag van het bodemonderzoek neemt de OVAM nog steeds een beslissing over de aard en de ernst van de bodemverontreiniging. De volledige verantwoordelijkheid voor de juistheid en volledigheid van de aangeleverde gegevens en voor de conformiteit van de bodemonderzoeken met de standaardprocedures komt hierdoor bij de erkende bodemsaneringsdeskundige te liggen. Deze verhoogde responsabilisering dient aanleiding te geven tot een toename van het kwaliteitsbewustzijn bij de bodemsaneringsdeskundigen en voor een verdere toename van de kwaliteit van de bodemonderzoeken zelf.

Via flankerende maatregelen wordt het kwaliteitssysteem ondersteund. Via de wijziging van het decreet wordt namelijk een audit ingevoerd van de kwaliteitszorg door de bodemsaneringsdeskundige. De focus wordt dus verschoven van de controle van het eindproduct (verslagen, rapporten) naar het proces hoe ze tot stand zijn gekomen. In het kader van de periodieke audit door de OVAM is het uiteraard ook mogelijk dat steekproefsgewijs de conformiteit van de uitgevoerde bodemonderzoeken wordt getoetst.

Optimalisering van de regeling voor sectorfondsen

Sectorale bodemsaneringsorganisaties bieden heel wat voordelen, zo leert de ervaring met BOFAS en VLABOTEX. Ze ontlasten individuele bedrijven van bodemonderzoek en bodemsanering en ze verlagen de kosten door de grootschalige aanpak. Voor de overheid zijn dergelijke sectorfondsen het beleidsinstrument bij uitstek om binnen de belangrijke doelgroep van (kleine) KMO's geclusterd grote aantallen bodemdossiers te activeren. Dit gebeurt op een voor de overheid rendabele manier, aangezien de overhead gedragen wordt binnen de externe organisatie.

Om de oprichting van nieuwe sectorale saneringsfondsen te stimuleren, is een aanpassing van de bodemwetgeving doorgevoerd. Vooreerst dienen exploitanten van de sectoren waarvoor een sectorfonds is opgericht niet langer een bodempreventie- en bodembeheerplan (BPBP) op te stellen. Deze BPBP-plicht wordt vervangen door de verplichting voor het fonds om een algemeen bodempreventieplan voor de sector op te maken. Op die manier wordt een uniforme, planmatige en preventieve aanpak van bodemverontreiniging aangemoedigd. Dit zorgt voor een vereenvoudiging van de wetgeving en een vermindering van de administratieve lasten.

Verder wordt de representativiteitsvereiste aangepast. Met het wijzigingsdecreet wordt de vereiste representativiteit niet langer gekoppeld aan een welbepaald vast percentage (60%) van de leden van de sector. Een flexibele invulling, die rekening houdt met de eigenheden van de sector, is mogelijk.

Inkanteling van het gebruik van bodemmaterialen

Bodemmaterialen zijn in aard en samenstelling identiek en hebben bij hun verdere verwerking een vergelijkbare milieu-impact. Naargelang de manier waarop deze materialen aan de bodem onttrokken worden, spreekt men ook van uitgegraven bodem, bagger- en ruimingsspecie, grondbrij, bentonietslib. Al deze materialen zijn echter in oorsprong bodem en vanuit het standpunt van een duurzaam materialenbeleid is het aangewezen te streven naar een gelijkvormig beleid en beschermingskader voor deze materialen en de manier waarop ze worden behandeld.

De inkanteling van bagger- en ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib in het VLAREBO betekent dat deze materialen volgens een algemeen aanvaard kwaliteitsborgingssysteem zullen worden opgevolgd. Deze materialen worden onttrokken aan de regeling uit het Materialendecreet waardoor de negatieve connotatie van de term ‘afval’ verdwijnt.

De toepassing van de grondverzetsregeling op het gebruik van bagger- en ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib heeft tot gevolg dat het gebruik ervan afhankelijk wordt gemaakt van:

  • onderzoek naar de kwaliteit ervan op te leggen via de opmaak van een technisch verslag;
  • het gebruikskader zoals uitgewerkt in hoofdstuk 13 van het VLAREBO;
  • de attestering van de milieuhygiënische kwaliteit voor een beoogd gebruik via de grondverzettoelating;
  • de attestering van de levering van de uitgegraven bodem op de plaats van het beoogde gebruik via het bodembeheerrapport;
  • het verzekeren van het correcte gebruik met de traceerbaarheid;
  • de vastlegging van de verantwoordelijkheden van verschillende actoren.

De wijziging van regelgeving met de integratie van de gebruiksbepalingen voor het gebruik van bodemmaterialen legt geen nieuwe verplichtingen op. Het voorstel voorziet in een globale wetgeving voor het gebruik van alle bodemmaterialen door een inkanteling van de gebruiksvoorwaarden voor bagger- en ruimingsspecie, grondbrij en bentonietslib in het kader van het Bodemdecreet. Deze wijziging vergt navolgend aanpassingen in verschillende uitvoeringsbesluiten.