Evaluatie aanvaardingsplichten 2006-2007
Omdat Vlaanderen in Europa inzake producentenverantwoordelijkheid tot de koplopers behoort, heeft de OVAM de huidige uitvoering van aanvaardingsplichten kritisch doorgelicht zodat het instrument doordacht kan ingezet worden.
De OVAM startte in 2006 een evaluatie van de effectiviteit en de efficiëntie van het instrument aanvaardingsplichten en de invulling die er nu aan gegeven wordt met het oog op verbetering van de wetgeving en uitvoering. Het principe van de aanvaardingsplicht werd niet in vraag gesteld, wel de invulling van dit principe via een MBO of individuele plannen.
In kader van ze oefening werd een evaluatieopdracht uitbesteed aan HIVA. De onderzoeksrapporten en de conclusies en aanbevelingen van de OVAM bij de studie werden in mei 2007 bezorgd aan de Vlaamse Minister voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur.
Evaluatiekader
Het evaluatiekader moet toelaten om de vraag te beantwoorden welke instrumenten de met de aanvaardingsplichten beoogde doelstellingen het best bereiken.
De kern van dit evaluatieonderzoek bestaat uit een comparatieve evaluatie van vijf alternatieve instrumenten door middel van een kwalitatieve multicriteria-analyse. Het afwegen van de verschillende beleidsinstrumenten gebeurt op basis van een aantal evaluatiecriteria.
De vijf beleidsinstrumenten zijn:
- aanvaardingsplicht via een milieubeleidsovereenkomst;
- aanvaardingsplicht via een individueel plan;
- een uniform intergewestelijk wetgevend initiatief met een erkend beheersorganisme (naar analogie met het bestaande systeem voor verpakkingsafval) - hierna ISA genoemd;
- een collectief plan;
- een wetgevend initiatief zonder producentenverantwoordelijkheid.
Voor elke optie werden de volgende criteria onderzocht:
- effectiviteit;
- efficiëntie;
- congruentie met hogere Europese wetgeving;
- congruentie met federale wetgeving;
- intergewestelijke congruentie;
- impact van de overheid tijdens de voorbereiding;
- impact van de overheid tijdens de uitvoering;
- transparantie ten aanzien van de overheid;
- transparantie ten aanzien van de andere actoren betrokken bij de uitvoering;
- marktconforme werking.
Het evaluatiekader werd toegepast op drie casestudies: de huishoudelijke afvalstromen AEEA, afvalbatterijen en afvalloodstartbatterijen. Aangezien voor deze drie stromen Europese wetgeving bestaat die de producentenverantwoordelijkheid oplegt, is de keuze voor het beleidsinstrument 'een wetgevend initiatief zonder producentenverantwoordelijkheid' hier een theoretische oefening.
Conclusies
De conclusies van dit kwalitatief onderzoek zijn alleen veralgemeenbaar voor huishoudelijke stromen en kunnen niet veralgemeend worden naar stromen waarvoor geen Europese producentenverantwoordelijkheid geldt.
De onderzoekers stellen dat het instrument MBO goed scoort maar dat er bij de uitvoeringen problemen zijn met transparantie, impact en marktconformiteit. Het instrument uniform wetgevend kader met erkenningsysteem komt beter tegemoet aan deze stromen.
Het onderscheid tussen beide instrumenten is onvoldoende groot om snel over te gaan tot fundamentele beleidswijzigingen. De onderzoekers pleiten voor het verder onderzoeken van combinaties.
De OVAM heeft o.b.v dit onderzoek aanbevelingen geformuleerd aan de minister en zal de nodige initiatieven nemen om verbeteringen aan te brengen in de wetgeving en bij de uitvoering. Het intern evaluatie- en optimalisatieproces voor producentenverantwoordelijkheid wordt verder gezet.
Documentatie
- De samenvatting van het onderzoeksrapport van HIVA
- Deelrapport HIVA: Het evaluatiekader
- Deelrapport HIVA: AEEA
- Deelrapport HIVA: afvalbatterijen
- Deelrapport HIVA: loodstartbatterijen
- Nota van de OVAM aan de de Vlaamse Minister voor Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur.
Alle rapporten zijn in pdf-formaat opvraagbaar bij
Veerle Geets.
