stortplaats

Oproep tot het indienen van een afwijkingsaanvraag voor het kalenderjaar 2012 op het verbrandingsverbod voor de energetische valorisatie van dierlijke vetten categorie 3 en gebruikte frituurvetten en -oliën (GFVO)

In 2008 heeft de OVAM op verschillende niveau’s de discussie gevoerd over de toepassingsmogelijkheden van vetten van dierlijke oorsprong categorie 3 en gebruikte frituurvetten en –oliën (GFVO). In het kader van het Vlaamse afvalbeleid en de groeiende belangstelling voor hernieuwbare energie is naar een oplossing gezocht voor het spanningsveld tussen materiaalrecyclage en energetische valorisatie.

Beide afvalstoffen (dierlijke vetten categorie 3 – zoals bepaald in de Verordening (EG) Nr. 1069/2009 – en gebruikte frituurvetten en –oliën van gemengde of dierlijke oorsprong) vallen onder artikel 5.4.2 van het Vlarea. Dit artikel legt een verbrandingsverbod op voor selectief ingezamelde stromen die in aanmerking komen voor materiaalrecyclage. Specifiek worden deze afvalstoffen ingezet in veevoeding, oleochemie of als grondstof voor genormeerde biodiesel. Elektriciteitsopwekking door verbranding is echter een reëel alternatief dat bepaalde ecologische voordelen kent en dat door de stimuleringsmaatregelen voor groene stroom in Vlaanderen ook economisch aantrekkelijk is. Exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties die in aanmerking komen om dergelijke afvalstoffen energetisch te valoriseren, willen daarom gebruik maken van de in artikel 5.4.3 van het Vlarea voorziene mogelijkheid om af te wijken van het verbrandingsverbod. Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, is er in 2008 door de OVAM – in opdracht van de toenmalige Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur - een regeling uitgewerkt op basis waarvan voor het kalenderjaar 2009 afwijkingen werden toegestaan. Vanaf dat jaar werd dezelfde regeling jaarlijks gebruikt om afwijkingen te verlenen.

Deze regeling, die hierna wordt uiteengezet, dient ook als leidraad voor exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties en geïnteresseerden die dierlijke vetten categorie 3 en GFVO in 2012 willen verbranden en als kader waarbinnen de afwijkingen overeenkomstig artikel 5.4.3 van het Vlarea kunnen worden toegestaan.

Algemeen kader

Deze oproep strekt enkel tot het indienen van een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod van dierlijke vetten categorie 3 en GFVO voor het kalenderjaar 2012. Op geen enkele wijze kan deze oproep dus geïnterpreteerd worden als algemene voor onbepaalde duur geldende regelgeving. Het verbrandingsverbod van dierlijke vetten categorie 3 en GFVO blijft met andere woorden bestaan en de in het kader van deze oproep verleende afwijkingen op dit verbrandingsverbod zijn in tijd en hoeveelheid beperkte uitzonderingen.

Zowel voor dierlijke vetten categorie 3 als voor GFVO kan er enkel afgeweken worden van het verbrandingsverbod voor verbranding met een hoog energierendement. Dit wil zeggen dat de verbranding van de afvalstoffen moet voldoen aan de criteria, zoals ze blijken uit de Europese rechtsleer, om als een “R1 – hoofdgebruik als brandstof” aangemerkt te worden.

GFVO

De regeling voor GFVO heeft enkel betrekking op GFVO die onder het toepassingsgebied van de milieubeleidsovereenkomst vallen (afkomstig van huishoudens en horeca). De invulling van percentages inzake de recyclage en nuttige toepassing werden in het kader van de MBO vastgelegd. Verbranding met energierecuperatie van GFVO wordt toegelaten als één van de mogelijke nuttige toepassingen.

Dit houdt niet in dat er geen individuele afwijkingsaanvraag overeenkomstig artikel 5.4.3 Vlarea moet worden aangevraagd. Het overeenkomstig artikel 5.4.2 Vlarea bestaande verbrandingsverbod blijft immers, zoals hierboven reeds gemeld, formeel van kracht. Het betekent wel dat aangevraagde hoeveelheden GFVO die een exploitant wenst in zetten voor de energie-opwekking (mits milieutechnisch in orde) zullen worden toegekend.

Dierlijke vetten categorie 3

Verbranding met energie-opwekking van dierlijke vetten categorie 3 kan slechts in beperkte mate plaatsvinden. Hiervoor is er de zogenaamde contingenteringsregeling ontwikkeld:

  • Voor het jaar 200X+1 dat ingaat op 1 januari, zal bepaald worden welke hoeveelheid dierlijke vetten categorie 3 in Vlaanderen gebruikt mag worden voor rechtstreekse verbranding met energierecuperatie. Dit zal jaarlijks vóór 30 september 200X vastgesteld worden op basis van een evaluatie van de marktsituatie en de geproduceerde hoeveelheden.
  • Deze hoeveelheid bedraagt een gegeven percentage van de productie van dierlijke vetten categorie 3 in het Vlaamse gewest over het jaar 200X-1.
  • Concreet betekent dit dat er op basis van de productiegegevens uit de registers van 2010 die aan de OVAM zijn gemeld, een contingent voor 2012 wordt bepaald. Het contingent voor 2012 is vastgesteld op 37 934 ton, namelijk 30% van de geproduceerde hoeveelheid dierlijke vetten in 2010.
  • Deze 37 934 ton voor 2012 kan worden ingevuld met dierlijke vetten categorie 3 aangeleverd door zowel Vlaamse verwerkers als externe verwerkers, met dien verstande dat het totale contingent dat verbrand wordt, niet mag overschreden worden.
  • Vóór 31 oktober 2010 dienen alle uitbaters van de verbrandingsinstallaties die vergund zijn voor het verbranden van dierlijke vetten categorie 3 en die gedurende het kalenderjaar 2012 deze vetten willen verbranden een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod in.

Aanvraagprocedure afwijking

Aangezien er voor GFVO geen contingentering wordt ingesteld kan een aanvraag voor het bekomen van een afwijking op het verbrandingsverbod voor 2012 in principe op elk willekeurig ogenblik worden ingediend. De modaliteiten staan beschreven in artikel 5.4.3 van het Vlarea en de aanvraag dient gericht te worden aan de Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur per adres van de OVAM.

Ook voor het indienen van een afwijkingsaanvraag voor de verbranding van dierlijke vetten categorie 3 voor 2012 verloopt de aanvraagprocedure overeenkomstig artikel 5.4.3 van het Vlarea, zijnde dat afwijkingen verleend worden door de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur op basis van een complete aanvraag gericht aan deze Minister en per adres van de OVAM.

Onderstaande punten zijn hier van belang:
  • Vóór 31 oktober 2011 dienen alle uitbaters van de verbrandingsinstallaties die vergund zijn voor het verbranden van dierlijke vetten categorie 3 en die gedurende het volgende kalenderjaar (= 2012) dit vet willen verbranden een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod in.
  • Een aanvraag bestaat uit een overzicht van:
    • een korte motivatie voor het bekomen van een afwijking;
    • de vergunde verbrandingscapaciteit voor dierlijke vetten categorie 3 in ton/jaar op 1 september 2011;
    • de geïnstalleerde verbrandingscapaciteit voor dierlijke vetten categorie 3 op 1 september 2011;
    • de hoeveelheid dierlijke vetten categorie 3 die men wenst te verbranden in ton/jaar in 2012;
  • De Minister zal het contingent van 37 934 ton proportioneel verdelen onder de aanvragers op basis van de vergunde en geïnstalleerde verbrandingscapaciteit en rekening houdend met de energie- efficiëntie van de installatie. De afwijkingen worden verleend per Ministerieel Besluit vóór 1 januari 2012 en gelden voor één kalenderjaar.
  • Aanvragen voor het verbranden van dierlijk vet categorie 3 die worden ingediend na 1 november 2011 en vóór de vaststelling van het vrij te geven contingent voor 2013 zullen niet worden behandeld. In elk Ministerieel Besluit dat een afwijking voorziet op het verbrandingsverbod zal een verplichting worden opgenomen om maandelijks te rapporteren hoeveel dierlijk vetten categorie 3 en GFVO er verbrand werd.
  • Deze regeling geldt onder voorbehoud van beleidswijzigingen in het afval- en energiebeleid die een dergelijke invulling van het Vlarea-verbrandingsverbod vervangen of onmogelijk maken.

Voor vragen kunt u contact opnemen met de OVAM (Katleen Van den Eynden, 015 284 276).

Vorige pagina