Contacten
Infolijn OVAM
Tel 015/284 458
Hoe weet u of uw onderneming een periodieke onderzoeksplicht heeft in het huidige Bodemdecreet?
In de Vlarem-indelingslijst (bijlage I van het Vlarem) kolom 8 vindt u terug of de inrichting mogelijk bodemverontreiniging veroorzaakt. De risico-inrichtingen kregen een Vlarebo-categorie A, B of O.
Valt uw risico-inrichting onder categorie A of B?
Dan moet u een periodiek bodemonderzoek laten uitvoeren.
Behoren uw risico-inrichtingen tot verschillende categorieën maar zijn ze gelegen op hetzelfde kadastraal perceel? Dan gelden de regels voor de categorie met de hoogste frequentie.
Startte u uw risico-inrichting vóór 1 juni 2008? Dan moet u eerst controleren of u reeds voldeed aan de verplichtingen van de bodemwetgeving van 1995.
Werden in het verleden risico-inrichtingen uitgebaat die nu niet meer aanwezig zijn? En liet u voor de stopzetting of sluiting al een oriënterend bodemonderzoek uitvoeren? Dan moet u die inrichting in het periodiek bodemonderzoek niet meer laten onderzoeken.
Het periodiek bodemonderzoek kan in bepaalde omstandigheden op een deel van een perceel worden uitgevoerd. In dat geval spreken we van een exploitatie-onderzoek. Omdat het werd uitgevoerd op een deel van het perceel is het niet bruikbaar bij een overdracht van het ganse perceel.
Voor het uitvoeren van een oriënterend bodemonderzoek stelt u een bodemsaneringsdeskundige aan.

Uw risico-inrichting valt onder categorie O
Valt uw inrichting onder categorie O? Dan heeft u geen periodieke onderzoekplicht. U voert dan enkel een oriënterend bodemonderzoek uit bij overdracht van de grond, bij sluiting van de risico-inrichting, bij onteigening van de grond, bij vereffening en faillissement.
Er is reeds een oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd?
De datum van het vorige decretaal oriënterend bodemonderzoek geldt als startpunt ter bepaling van de volgende periodieke plicht (+10 of 20 jaar).