Code van goede praktijk voor het uitvoeren van risico-evaluatie

Een risico-evaluatie begint steeds met het opstellen van een conceptueel site model (CSM). In dit CSM geeft men een overzicht van de verontreinigingssituatie in bodem en grondwater en de bron-pad-receptor analyse. Voor meer informatie hier omtrent verwijzen we naar de code van goede praktijk voor het uitvoeren van risico-evaluatie en de basisinformatie voor risico-evaluaties.

Vervolgens worden 4 blokken behandeld:
blok 1 : humane blootstelling
blok 2 : ecologische blootstelling
blok 3 : verspreiding
blok 4 : beleidsmatige saneringsnoodzaak

Bij het bepalen van de humane blootstelling is het belangrijk de verschillende blootstellingswegen goed in kaart te brengen. Maak hierbij duidelijk het onderscheid tussen de actuele en de potentiële situatie en hou voor enkele courante blootstellingswegen een aantal aandachtspunten en concrete vragen in het achterhoofd:

  • Aanwezigheid van een drinkwaterleiding, contact via baden, douchen.
    • Ligt er inderdaad een (drink)waterleiding in de verontreinigingsvlek en heeft deze ligging een (nadelige) invloed op de leiding en op het drinkwater? Of bevindt de verontreiniging zich veel dieper tov de leiding waardoor er geen invloed is?
    • Welke invloed heeft de verspreiding van de verontreiniging op de (drink)waterleiding en de kwaliteit van het leidingwater (potentiële situatie)?
    • Is de aanleg van (drink)waterleidingen in de toekomst mogelijk in betreffende zone, en wat is de ruimtelijke situering hiervan ten opzichte van de verontreiniging?
  • Binnenluchtmetingen:
    • Voer steeds een referentiemeting uit. Ga ook na wat de 'achtergrondblootstelling' of nulsituatie op de site is. Een garagewerkplaats of een huis naast een tankstation of naast een drukke steenweg kan bv een verhoogde achtergrondblootstelling hebben. Dit zou eventueel kunnen leiden tot een vals positief. M.a.w. wees kritisch of de verhoogde meting te wijten is aan de aanwezige verontreiniging of aan omgevingsfactoren die de verhoging kunnen verklaren.
  • Groentetuin
    • Hierbij is het belangrijk de juiste concentraties te gebruiken: als er een moestuin aanwezig is, dan is het raadzaam minstens 1 (top)staal ter hoogte van deze moestuin te nemen. De representativiteit van het analyseresultaat moet afgewogen worden ten opzichte van de omliggende analyseresultaten. Vraag als deskundige ook na of men het grondwater gebruikt voor het besproeien van de gewassen.

Evalueer ook de uitkomst van een risicomodel (net zoals elk computermodel) met een kritische blik. Voer waar nodig gerichte metingen (zoals bv binnenluchtmetingen, drinkwateranalyses, gewasanalyses...) uit om het model beter op de realiteit af te stemmen. Het louter overschrijden van de risico-index mag niet zonder meer leiden tot de conclusie: bodemsanering noodzakelijk.

Ook bij de evaluatie van het verspreidingsrisico, meer bepaald de significante uitbreiding maak je als deskundige een onderbouwde afweging en evaluatie van de verschillende elementen. Ga niet zomaar af op de totaalscore van 250 en de overschrijding ervan. Zo kan men bij een score van bv. 200, waarbij het analyseresultaat 8x de bodemsaneringsnorm overschrijdt, beslissen dat de verontreiniging toch gesaneerd moet worden omwille van andere sitespecifieke omstandigheden. Aan de andere kant kan hij bij een score van bv. 300 beslissen dat bodemsanering niet noodzakelijk is. Dit is uiteraard enkel mogelijk bij grondige motivering.

Wees ook kritisch ten opzichte van de berekende grondwaterstromingssnelheid en verspreidingssnelheid. Stemt het berekende overeen met wat in realiteit vastgesteld wordt? Stel dat men een verspreidingssnelheid van 10m/jaar uitkomt, maar dat in realiteit blijkt dat de verontreiniging zich sinds zijn ontstaan in 1970 maar 20 m verspreid heeft. In deze situatie is het duidelijk dat de berekende verspreidingssnelheid niet correct is en dat ook processen zoals adsoptie, afbraak... optreden. Of omgekeerd, de berekende verspreidingssnelheid is 2 m/j, in realiteit heeft de verontreiniging zich op 5 jaar al over 100m verspreid, dan zijn er misschien preferentiële stromingsbanen zoals een grindlaagje, een grover zandhorizont, via een nutsleiding of eventueel een bijkomende bron...

Met bovenstaande aandachtspunten wil de OVAM duidelijk maken dat de bodemsaneringsdeskundige de uitkomst van risicomodellen, andere modellen (grondwatermodellen, F-Leach...) en berekeningen allerhande (verspreidingssnelheden...) steeds goed moet evalueren en zich niet zomaar moet laten leiden door de uitkomst en het getal. Zoals altijd geldt hier ook : “rubbish in is rubbish out”.

Bovenstaande wordt geïllustreerd aan de hand van 2 voorbeelden:

Voorbeeld 1

Een voormalig tankstation is gelegen in woongebied. De bebouwing wijzigt en de garage zal omgebouwd worden tot een saunacomplex.
In 1 peilbuis naast de tank wordt een verontreiniging met BTEX in het grondwater vastgesteld. Een boring op ca 1 meter afstand blijkt niet verontreinigd te zijn. De grondwaterverontreiniging wordt slechts in beperkte mate in een naastgelegen peilbuis vastgesteld.

Bij toepassing van Vlier Humaan in een woonscenario, wordt rekening houdend met de maximaal vastgestelde concentratie benzeen in het grondwater. Ook na aanpassing van de verblijftijd van 7,5 uur per dag, bekomt men een overschrijding van de RI (TDI en TCL).

Het risico kan als volgt genuanceerd worden:
Voor benzeen in het grondwater werd de risico-index RI weliswaar beperkt overschreden (RI = 1,24). Dit was voor 99,8% te wijten aan de inhalatie van binnenlucht (TCL = 2,05). Maar aangezien:

  • de verontreiniging met benzeen in het grondwater slechts in 1 peilbuis wordt gemeten;
  • in het vaste deel van de bodem geen verontreiniging met benzeen werd aangetroffen, en geen nalevering van benzeen naar het grondwater wordt verwacht, de verblijftijd van mensen ter hoogte van deze zone vast en zeker een stuk kleiner is dan 7,5 uur per dag, ook in het waarschijnlijke geval van een uitbreiding van het saunacomplex met een schoonheidssalon;
  • de verontreiniging met benzeen niet ver verspreid is, wat kan gerelateerd worden aan de het grote percentage klei in de bodem, wordt niet verwacht dat deze verontreiniging ook effectief risico’s zal inhouden voor mens (of binnenlucht).

Besluit: Het louter overschrijden van de risico-index is een indicatie van de aanwezigheid van een risico. De conclusies kunnen door de bodemsaneringsdeskundige gemotiveerd bijgesteld worden op basis van bv. volume verontreiniging, verblijftijden, actueel en toekomstig gebruik van het terrein.

Voorbeeld 2

Na uitvoering van een ontgraving blijkt nog een beperkte restverontreiniging aanwezig onder het gebouw. De restverontreiniging bevindt zich deels onder de inkomhal van een woning en deels onder de voormalige winkel ruimte welke men momenteel gebruikt als opslag van allerhande materiaal.

Bij toepassing van Vlier Humaan in een woonscenario, is de berekende RI groter dan 1 voor benzeen. Benzeen overschrijdt slechts in 1 boring de bodemsaneringsnorm. Er worden binnenluchtmetingen uitgevoerd in ieder gebouw en 1 referentiemeting in de omgevingslucht aan de achterzijde van het gebouw. De binnenluchtmeting in de winkelruimte geeft een waarde van 5 µg/Nm³ (>TCL). Er wordt niets gemeten bij de binnenluchtmeting in de woning.

Het aanwezige risico kan men als volgt nuanceren:
De overschrijding van de TCL tijdens de binnenluchtmeting in de winkelruimte kan niet gerelateerd worden aan de aanwezige restverontreiniging. Er is het vermoeden dat deze overschrijding te wijten is aan het feit dat deze ruimte een voormalige verkoopzaal is voor motoronderdelen waar ook beperkt oliehoudende producten werden gestockeerd. De beperkte verluchting van het lokaal, de vloerbekleding (oud en muf) en de voormalige opslag hebben waarschijnlijk een invloed gehad op de meting. Gezien de restverontreiniging met benzeen zich in dezelfde mate onder de beide gebouwen bevindt en gezien de beperkte afstand tussen de 2 binnenluchtmetingen en de referentiemeting nemen we aan dat de restverontreiniging in het vast deel van de aarde geen aanleiding geeft tot verspreiding naar de binnenlucht.

Besluit: Binnenluchtmetingen zijn een middel om een evaluatie door te voeren van de berekende blootstelling, maar een kritische blik en de nodige kennis zijn een must. Een evaluatie van de resultaten is noodzakelijk om na te gaan of de verhogingen t.o.v. de referentiemetingen kunnen toegeschreven worden aan de bodemverontreiniging of deze afkomstig zijn van andere omgevingskenmerken. De gevolgde redenering geeft hij duidelijk en gemotiveerd in het rapport weer.