dopjes

Verwijderingsplan voor PBC-houdende apparaten

Op 17 maart 2000 heeft de Vlaamse regering het besluit houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor PCB-houdende apparaten en de daarin aanwezige PCB's goedgekeurd. Het verwijderingsplan verscheen op 17 mei 2000 in het Staatsblad en trad toen in werking.

Het verwijderingsplan bevat onder meer een afbouwplan voor de PCB-houdende apparaten in functie van het bouwjaar van de apparaten. Het afbouwplan bepaalt dat de geïnventariseerde apparaten gereinigd en/of verwijderd moeten worden vóór:
  • 31 december 2000: apparaten waarvan het bouwjaar niet gekend is of waarvan het bouwjaar dateert van vóór 1971;
  • 31 december 2001: apparaten waarvan het bouwjaar dateert van vóór 1972;
  • 31 december 2002: apparaten waarvan het bouwjaar dateert van vóór 1973;
  • 31 december 2003: apparaten waarvan het bouwjaar dateert van vóór 1974;
  • 31 december 2004: apparaten waarvan het bouwjaar dateert van vóór 1975;
  • 31 december 2005: alle andere apparaten.
Op deze termijnen kan een afwijking verkregen worden tot uiterlijk 31 december 2010, wanneer de apparaten:
  • geen deel uitmaken van SEVESO-installaties behalve als de exploitant aantoont dat hij de nodige maatregelen heeft getroffen tegen emissies van PCB's en dioxines bij zware branden, explosies,...;
  • opgesteld zijn in een lokaal dat niet toegankelijk is voor het publiek;
  • gebouwd werden na 1975, behalve als de houder meer dan 10 apparaten bezit;
  • in goede staat verkeren en geen lekken vertonen.
De afwijking wordt niet verleend voor apparaten uit de volgende economische sectoren:
  • vervaardiging van voedingsmiddelen en dranken
  • farmaceutische sector
  • hotels en restaurants
  • onderwijs
  • gezondheidszorg en veterinaire diensten
  • maatschappelijke dienstverlening met huisvesting
  • kinderkribben, onthaalmoeders en overige kinderopvang
  • recreatie, cultuur en sport.
De houders van meer dan 10 apparaten moeten hun aanvraag tot afwijking vóór 31 december 2000 indienen. Bij de aanvraag moet bovendien een verwijderingsplan voor de betrokken apparaten gevoegd worden.

Afwijkingen moeten aangevraagd worden bij de Vlaamse Minister van Leefmilieu, p/a OVAM, Stationsstraat 110, 2800 Mechelen. De aanvraag tot afwijking moet minstens de gegevens bevatten, die opgenomen zijn in art. 5.5.8.10. §1 van het Vlarea. (Voor welke artikelen en o.w.v. welke technische redenen vraagt u de afwijking aan? Welke maatregelen neemt u om milieuverontreiniging te voorkomen en aan de hand van welke technieken?)

De houders van apparaten waarvoor een afwijking werd verleend en die geen eigen verwijderingsplan moesten opmaken (houders van maximaal 10 apparaten), dienen jaarlijks een behoorlijk ingevulde vragenlijst over deze apparaten aan de OVAM te bezorgen. Deze vragenlijst moet een eerste keer worden ingediend binnen de maand na het verkrijgen van de afwijking. De vragenlijst kan je hier downloaden. Stuur hem ondertekend terug naar de OVAM.

Naast het afbouwplan en de voorwaarden voor het verkrijgen van een afwijking bevat het verwijderingsplan ook nog de volgende bepalingen :
  • PCB-houdende apparaten die overeenkomstig de bepalingen van Vlarem II opgenomen moeten worden in de inventaris van PCB-houdende apparaten, maar waarvan de houder geen kennisgeving heeft gedaan, moeten binnen de zes maanden na de inwerkingtreding van het verwijderingsplan buiten gebruik worden gesteld;
  • Apparaten die niet voldoen aan de technische normen of specificaties inzake diëlektrische kwaliteit of die in slechte staat verkeren of lekken vertonen, moeten onmiddellijk buiten gebruik worden gesteld;
  • De termijn tussen het buiten gebruik stellen van een apparaat en de reiniging en/of verwijdering van dit apparaat mag niet meer dan zes maanden bedragen;
  • Bij PCB-houdende apparaten die vrijkomen tijdens het slopen van gebouwen moet de uitvoerder van de sloopwerken ervoor zorgen dat deze apparaten afgevoerd worden naar een inrichting die vergund is voor het verwerken van dergelijke apparaten.

    Als men vermoedt dat toestellen met minerale olie tijdens de productie of tijdens het gebruik verontreinigd werden met PCB's, dan moet het PCB-gehalte in de minerale olie in de volgende situaties gemeten worden:

    • bij het openen van de toestellen voor onderhouds- of herstellings- werkzaamheden;
    • bij het veranderen van exploitatieadres van de toestellen;
    • bij het veranderen van houder;
    • bij het buiten gebruik stellen van de toestellen.


    Als uit deze metingen blijkt dat de minerale olie van een toestel meer dan 50 ppm PCB's bevat, dan beschouwt men het als een PCB-houdend toestel.

    Apparaten en onderdelen van toestellen die minder dan één liter PCB's bevatten, moeten op het einde van hun gebruiksduur verwijderd worden.

    • Condensatoren en/of andere onderdelen die mogelijk PCB's bevatten, dienen te worden beschouwd als PCB-houdende onderdelen.
    • Bij de verwerking van bruingoed, witgoed, afgedankte consumptiegoederen en andere toestellen die PCB-houdende onderdelen kunnen bevatten, moeten de mogelijk PCB-houdende onderdelen selectief gedemonteerd worden en voor verwerking naar een daartoe vergunde inrichting afgevoerd worden.
    • Ook de condensatoren die vrijkomen bij het vernieuwen van straatverlichting en die PCB's kunnen bevatten, moeten afgevoerd worden naar een inrichting die vergund is voor de verwerking van PCB-houdende afvalstoffen.
    • Condensatoren en/of andere onderdelen die geen vermelding bevatten die wijst op de aanwezigheid van PCB's en die werden geproduceerd ná 1986 beschouwt men niet als PCB-houdend.

    Vorige pagina Terug naar overzichtspagina