Richtlijn Industriële Emissies

Op 24 november 2010 vaardigde het Europees Parlement en de Raad de richtlijn inzake industriële emissies (RIE) uit. De RIE vervangt 7 oude richtlijnen en vergroot daardoor hun samenhang. Het betreft de richtlijnen 2008/1/EG inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging (GPBV) en 6 sectorale richtlijnen (titaandioxide-industrie, grote stookinstallaties, afvalverbranding, gebruik van organische oplosmiddelen).

De RIE beoogt een kosteneffectieve en merkbare vermindering van de milieubelasting (water, lucht en bodem) van omvangrijke industriële installaties. Door een geïntegreerde benadering wordt de verschuiving van emissies naar andere milieucompartimenten vermeden. De RIE verplicht vergunningsvoorschriften en algemene regels te baseren op de conclusies over beste beschikbare technieken (BBT-conclusies) uit de Europese referentiedocumenten voor beste beschikbare technieken (afgekort BREF-documenten). Daarnaast legt de RIE minimumvoorschriften op over inspectie, toesting van de milieuvergunningsvoorwaarden en rapportage over de naleving ervan.

Oog voor bodem

Specifiek voor bodem vergroot de RIE het belang van preventie en monitoring van bodemverontreiniging. GPBV-activiteiten die met het gebruik, de productie of uitstoot van relevante, gevaarlijke stoffen gepaard gaan, krijgen specifieke bepalingen opgelegd over mogelijke uitstoot naar bodem. Deze bepalingen omvatten de hele levenscyclus van de betreffende GPBV-installaties:

  1. voor de aanvang van de exploitatie een situatierapport;
  2. gedurende de exploitatie een minimale periodieke monitoring;
  3. bij stopzetting van de activiteiten een onderzoek en eventuele sanering.

Nieuw op te starten activiteiten moeten voorafgaand aan de start van de exploitatie een situatierapport (ook nulonderzoek genaamd) opmaken over de bodem en het grondwater zodat bij latere sluiting een gekwantificeerde vergelijking mogelijk is. Dit nulonderzoek bevat informatie over de verontreinigingstoestand van bodem en grondwater. Het informeert ook over het huidige en vroegere gebruik van het terrein.

Europa eist ook dat mogelijke bodem- en grondwaterverontreiniging periodiek wordt gecontroleerd, respectievelijk ten minste om de tien en vijf jaar. De richtlijn laat wel een andere frequentie toe als die gebaseerd is op een systematische evaluatie van het risico op bodemverontreiniging. Vlaanderen koos ervoor het huidige systeem van de periodieke onderzoeksverplichtingen te behouden. In Vlaanderen is ondertussen bijna twintig jaren ervaring met de aanpak van bodemverontreiniging. De periodiciteit van de onderzoeksverplichtingen wordt daarbij voortdurend geëvalueerd en indien nodig bijgestuurd. Meer informatie over de verplichte periodieke onderzoeksverplichting vindt u hier.

Ook de verplichting uit de RIE voor de exploitant om bij bedrijfsbeëindiging een bodemonderzoek te doen, bestond al in de Vlaamse bodemwetgeving. Die verplichting en de bijhorende procedures blijven dan ook behouden. Meer informatie over de verplichtingen bij stopzetting van de activiteiten vindt u hier.

Tot slot legt Europa aan de lidstaten de verplichting op om de doeltreffende toepassing en handhaving van de verplichtingen te garanderen door te voorzien in een systeem van milieu-inspecties.

Stand van zaken

Deze richtlijn industriële emissies is omgezet in Vlaamse wetgeving door decreetswijzigingen:

  • Artikel 33bis in het Bodemdecreet (BS 25 mei 2012) voor de verduidelijkingen over de verplichtingen;
  • Vlarem-trein 2012 (BS 10 september 2013) voor de aanduiding van de risico-inrichtingen.

Sinds 20 september 2013 geldt het situatierapport effectief als een verplichting voor GPBV-installaties. Deze GPBV-installaties zijn voortaan in de VLAREM I-indelingslijst te herkennen aan de kenletter 'S' in kolom 8. Bij aanvang en exploitatie is een situatierapport nodig. Aangezien een situatierapport de vorm aanneemt van een oriënterend bodemonderzoek, zijn de bepalingen rond het situatierapport opgenomen in de Standaardprocedure oriënterend bodemonderzoek.

Contact

OVAM - Infolijn bodem
015 284 458 en 015 284 459
bodem@ovam.be