Afwijkingsaanvraag verbrandingsverbod

Oproep tot het indienen van een afwijkingsaanvraag voor het kalenderjaar 2017 op het verbrandingsverbod voor de energetische valorisatie van dierlijke vetten categorie 3 en gebruikte frituurvetten en -oliën (GFVO)

In 2008 heeft de OVAM op verschillende niveaus de discussie gevoerd over de toepassingsmogelijkheden van vetten van dierlijke oorsprong categorie 3 en gebruikte frituurvetten en –oliën (GFVO). In het kader van het Vlaamse afvalbeleid en de groeiende belangstelling voor hernieuwbare energie is naar een oplossing gezocht voor het spanningsveld tussen materiaalrecyclage en energetische valorisatie.

Beide afvalstoffen (dierlijke vetten categorie 3 – zoals bepaald in de Verordening (EG) Nr. 1069/2009 – en gebruikte frituurvetten en -oliën van gemengde of dierlijke oorsprong) vallen onder artikel 4.5.2 van het VLAREMA. Dit artikel legt een verbrandingsverbod op voor selectief ingezamelde stromen die in aanmerking komen voor materiaalrecyclage. Specifiek worden deze afvalstoffen ingezet in veevoeding, oleochemie of als grondstof voor genormeerde biodiesel. Elektriciteitsopwekking door verbranding is echter een reëel alternatief dat bepaalde ecologische voordelen kent en dat door de stimuleringsmaatregelen voor groene stroom in Vlaanderen ook economisch aantrekkelijk is.

Exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties die in aanmerking komen om dergelijke afvalstoffen energetisch te valoriseren, willen daarom gebruik maken van de in artikel 4.5.2 van het VLAREMA voorziene mogelijkheid om af te wijken van het verbrandingsverbod. Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, is er in 2008 door de OVAM – in opdracht van de toenmalige Vlaamse Minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur – een regeling uitgewerkt op basis waarvan voor het kalenderjaar 2009 afwijkingen werden toegestaan. Vanaf dat jaar werd dezelfde regeling jaarlijks gebruikt om afwijkingen te verlenen.

Deze regeling, die hierna wordt uiteengezet, dient ook als leidraad voor exploitanten van afvalverbrandingsinstallaties en geïnteresseerden die dierlijke vetten categorie 3 en GFVO in 2015 willen verbranden en als kader waarbinnen de afwijkingen overeenkomstig artikel 4.5.2 van het VLAREMA kunnen worden toegestaan.

Algemeen kader

Deze oproep strekt enkel tot het indienen van een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod van dierlijke vetten categorie 3 en GFVO voor het kalenderjaar 2017. Op geen enkele wijze kan deze oproep dus geïnterpreteerd worden als algemene voor onbepaalde duur geldende regelgeving. Het verbrandingsverbod van dierlijke vetten categorie 3 en GFVO blijft met andere woorden bestaan en de in het kader van deze oproep verleende afwijkingen op dit verbrandingsverbod zijn in tijd en hoeveelheid beperkte uitzonderingen.

Zowel voor dierlijke vetten categorie 3 als voor GFVO kan er enkel afgeweken worden van het verbrandingsverbod voor verbranding met een hoog energierendement. Dat wil zeggen dat de verbranding van de afvalstoffen moet voldoen aan de criteria zoals ze blijken uit de Europese rechtsleer, om als een 'R1 – hoofdgebruik als brandstof' aangemerkt te worden.

GFVO

De regeling voor GFVO heeft enkel betrekking op GFVO afkomstig van huishoudens en horeca. Voor deze GFVO wordt verbranding met energierecuperatie beschouwd als een van de mogelijke nuttige toepassingen.

Dit houdt niet in dat er geen individuele afwijkingsaanvraag overeenkomstig artikel 4.5.2 van het VLAREMA moet worden aangevraagd. Het overeenkomstig hiervoor vermeld artikel van VLAREMA bestaande verbrandingsverbod blijft immers formeel van kracht. Het betekent wel dat aangevraagde hoeveelheden GFVO die een exploitant wenst in zetten voor de energieopwekking (mits milieutechnisch in orde) zullen worden toegekend.

Dierlijke vetten categorie 3

Verbranding met energieopwekking van dierlijke vetten categorie 3 kan slechts in beperkte mate plaatsvinden. Hiervoor is er de zogenaamde contingenteringsregeling ontwikkeld:

  • Voor het jaar 200X+1 dat ingaat op 1 januari, zal bepaald worden welke hoeveelheid dierlijke vetten categorie 3 in Vlaanderen gebruikt mag worden voor rechtstreekse verbranding met energierecuperatie. Dit zal jaarlijks vóór 30 september 200X vastgesteld worden op basis van een evaluatie van de marktsituatie en de geproduceerde hoeveelheden.
  • Deze hoeveelheid bedraagt een gegeven percentage van de productie van dierlijke vetten categorie 3 in het Vlaamse gewest over het jaar 200X-1 of 200X-2 (dit omdat de productiegegevens sinds 2014 slechts 2-jaarlijks worden opgevraagd).
  • Concreet betekent dit dat er op basis van de productiegegevens uit de registers van 2014 die aan de OVAM zijn gemeld, een contingent voor 2017 wordt bepaald. Het contingent voor 2017 is vastgesteld op 42 158 ton, namelijk 30% van de geproduceerde hoeveelheid dierlijke vetten in 2014 (140 526 ton).
  • Deze 42 158 ton voor 2017 kan worden ingevuld met dierlijke vetten categorie 3 aangeleverd door zowel Vlaamse verwerkers als externe verwerkers, met dien verstande dat het totale contingent dat verbrand wordt, niet mag overschreden worden.
  • Vóór 6 januari 2017 dienen alle uitbaters van de verbrandingsinstallaties die vergund zijn voor het verbranden van dierlijke vetten categorie 3 en die gedurende het kalenderjaar 2017 deze vetten willen verbranden een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod in.

Aanvraagprocedure afwijking

Aangezien er voor GFVO geen contingentering wordt ingesteld, kan een aanvraag voor het bekomen van een afwijking op het verbrandingsverbod voor 2017 in principe op elk willekeurig ogenblik worden ingediend. De modaliteiten staan beschreven in artikel 4.5.2 van het VLAREMA en de aanvraag dient gericht te worden aan de Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur, per adres van de OVAM.

Ook voor het indienen van een afwijkingsaanvraag voor de verbranding van dierlijke vetten categorie 3 voor 2017 verloopt de aanvraagprocedure overeenkomstig artikel 4.5.2 van het VLAREMA, zijnde dat afwijkingen verleend worden door de Vlaamse Minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur op basis van een complete aanvraag gericht aan deze Minister en per adres van de OVAM.

Onderstaande punten zijn hier van belang:

  • Vóór 6 januari 2017 dienen alle uitbaters van de verbrandingsinstallaties die vergund zijn voor het verbranden van dierlijke vetten categorie 3 en die gedurende het volgende kalenderjaar (= 2017) dit vet willen verbranden een afwijkingsaanvraag op het verbrandingsverbod in.
     
  • Een aanvraag bestaat uit een overzicht van:
    • een korte motivatie voor het bekomen van een afwijking;
    • de vergunde verbrandingscapaciteit voor dierlijke vetten categorie 3 in ton/jaar op 1 september 2016;
    • de geïnstalleerde verbrandingscapaciteit voor dierlijke vetten categorie 3 op 1 september 2016;
    • de hoeveelheid dierlijke vetten categorie 3 die men wenst te verbranden in ton/jaar in 2017.
       
  • De Minister zal het contingent van 42 158 ton proportioneel verdelen onder de aanvragers op basis van de vergunde en geïnstalleerde verbrandingscapaciteit en rekening houdend met de energie-efficiëntie van de installatie. De afwijkingen worden verleend per Ministerieel Besluit in de loop van de maand januari 2017 en gelden tot eind december 2017.
     
  • Aanvragen voor het verbranden van dierlijk vet categorie 3 die worden ingediend na 6 januari 2017 en vóór de vaststelling van het vrij te geven contingent voor 2018 zullen niet worden behandeld.
     
  • In elk Ministerieel Besluit dat een afwijking voorziet op het verbrandingsverbod zal een verplichting worden opgenomen om 3-maandelijks te rapporteren hoeveel dierlijk vetten categorie 3 en GFVO er verbrand werden.

Deze regeling geldt onder voorbehoud van beleidswijzigingen in het afval- en energiebeleid die een dergelijke invulling van het VLAREMA-verbrandingsverbod vervangen of onmogelijk maken.

Voor vragen kunt u contact opnamen met de OVAM (Katleen Van den Eynden, 015/ 284 276).

Contact

Team Bio
secretariaatkbl@ovam.be
015 284 276