‘Spidertool’ helpt prioritaire risicogronden te bepalen

  • 7 juli 2017

Tegen 2036 moeten alle historisch verontreinigde gronden (met risicoactiviteiten uitgevoerd vóór 1995) gesaneerd zijn of in de saneringsfase zitten. Een eerste stap in die richting is het vervolledigen van de Gemeentelijke Inventaris. De gemeenten zijn goed op weg om tegen eind 2017 al hun gegevens over risicogronden uit te wisselen met de OVAM. Die informatie hebben we nodig om correcte bodemattesten af te leveren, maar ook om te weten op welke gronden eventueel nog een bodemonderzoek moet gebeuren. Intussen werden al data uitgewisseld over 134.000 risicopercelen. Op ruim 90.000 daarvan is nog geen oriënterend bodemonderzoek uitgevoerd.

Objectief prioriteringsmodel

De volgende fase is een grondige kwaliteitscontrole van de uitgewisselde gegevens, zoals het actualiseren van oude informatie over percelen. Dat gebeurt in nauwe samenwerking met de gemeenten. Vervolgens zal de OVAM een mogelijke aanpak of inzet van instrumenten voorstellen per locatie, zodat een gericht actieplan kan worden opgesteld. Enkele voorbeelden zijn de opvolging van de periodieke onderzoeksplicht, de plicht bij sluiting van een risicoactiviteit, het opmaken van site-onderzoeken bij ‘onschuldige’ eigenaars en de begeleiding van specifieke doelgroepen (onder andere scholen, lokale besturen en andere overheden).

Het is echter niet mogelijk om alle percelen of locaties gelijktijdig aan te pakken. Daarom gingen we op zoek naar een objectief prioriteringsmodel om te bepalen voor welke risicogronden, gemeenten of regio’s we eerst een actieplan moeten opstellen.

Webdiagram

In 2016 sloegen we de handen in elkaar met VITO (de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek) voor de ontwikkeling van een prioriteringsmodel op maat van risicogronden. Het resultaat is de ‘spidertool’. Om de prioriteit van een locatie te bepalen, kijkt de tool niet alleen naar de locatie zelf, maar ook naar ruimtelijke kenmerken en ontwikkelingen in de omgeving of bredere regio. De tool plaatst bodem in een brede context: in relatie tot onze gezondheid, onze leefomgeving en onze economische ontwikkelingen.

De spidertool dankt zijn naam aan de manier waarop het resultaat in beeld wordt gebracht, namelijk aan de hand van een webdiagram: per locatie worden de criteria uitgezet ten opzichte van verschillende assen (zie afbeelding). Voor het bepalen van de totaalscore per locatie wordt rekening gehouden met de volgende aspecten: de aard van de risicoactiviteiten, de saneringsurgentie (als er een bodemonderzoek gebeurd is), de kwetsbaarheid van bodem en grondwater, de ligging ten opzichte van beleidsmatig gevoelige gebieden (bv. drinkwaterbeschermingszones), het maatschappelijke gebruik (bewoning, tewerkstelling, recreatie …), de lokale ontwikkeling en tot slot de regionale ontwikkeling. De score van elk aspect draagt bij tot de totaalscore van de locatie. Dat levert een objectieve prioritering op voor individuele locaties. Op basis daarvan kunnen we een doelgroepgerichte aanpak plannen voor onder meer brownfields, sites en scholen.

Totaalscore

Door het model op te schalen willen we ook een ‘totaalscore’ toekennen aan steden en gemeenten of regio’s. Daarvoor tellen we de individuele scores van locaties op. Een gemeente krijgt dus een hogere score als er meer locaties aanwezig zijn met risicovolle activiteiten of meer locaties met een hogere saneringsurgentie. Om na te gaan of een aanpak op maat voor specifieke locaties of herontwikkelingsprojecten aangewezen is, zitten we eerst samen met steden en gemeenten met een hogere score. Op die manier kunnen we on(der)benutte en verontreinigde terreinen snel en efficiënt activeren. De overige gemeenten en regio’s komen later aan bod. 

De spidertool laat ons toe om een planning op lange termijn op te stellen en afspraken te maken met de betrokkenen. Ze biedt aanknopingspunten om een actieplan op te stellen voor de nauwe opvolging van bodemonderzoeken en -verontreinigingen.