Tijdelijke opslag van uitgegraven bodem

Een aannemer of vervoerder mag uitgegraven bodem die voldoet voor gebruik volgens de grondverzetsregeling, op zijn eigen terrein opslaan.  Is de opslagcapaciteit echter groter dan 1000m³ en is de opslagplaats langer dan 1 jaar in exploitatie, dan valt het tijdelijk opslaan van uitgegraven bodem onder VLAREM-rubriek 61.2 en moet u de opslag melden aan de gemeente of moet u een milieuvergunning aanvragen. Onder VLAREM-rubriek 61.2 worden de tussentijdse opslagplaatsen ingedeeld die langer dan 1 jaar in exploitatie zijn én waarbij de opslagcapaciteit minstens 1000 m³ bedraagt. De opslag van de verschillende partijen uitgegraven bodem op een tussentijdse opslagplaats is steeds tijdelijk en in afwachting van gebruik op en andere locaties. 

U mag een partij uitgegraven bodem die voldoet voor gebruik volgens de voorwaarden van VLAREBO opslaan zonder dat u een milieuvergunning aanvraagt, als u de partij minder dan 1 jaar opslaat of indien de partij kleiner dan 1.000 m³ is.  In sommige gevallen heeft u echter nog steeds een bouwvergunning nodig.  Of u al dan niet een milieuvergunning moet aanvragen voor de opslag van de uitgegraven bodem kunt u hier nagaan. Deze memo vindt u rechts op deze pagina onder Publicaties.

Ongeacht of u nu vergund bent of niet, moet elke tussentijdse opslagplaats werken volgens een code van goede praktijk en volgens de procedure van een erkende bodembeheerorganisatie.  De Code van goede praktijk voor de tussentijdse opslag van uitgegraven bodem heeft tot doel de werking en de procesvoering voor stromen uitgegraven bodem transparant en controleerbaar te maken  De aanbevelingen zijn complementair aan de verplichtingen die worden opgenomen in de milieuvergunning. Deze Code van goede praktijk vindt u recht op deze pagina onder Publicaties.

Alle tussentijdse opslagplaatsen van uitgegraven bodem hanteren de code van goede praktijk om uitgegraven bodem op milieuhygiënisch verantwoorde wijze te behandelen. De procedure van de bodembeheerorganisaties moet er voor zorgen dat de traceerbaarheid van de verschillende partijen uitgegraven bodem behouden blijft. Partijen uitgegraven bodem met een verschillende herkomst stockeert u best gescheiden. Enkel partijen die dezelfde milieuhygiënische kwaliteit hebben, voegt u bij elkaar. Verontreinigde partijen mag u in geen geval bij niet-verontreinigde partijen voegen. 

Onder VLAREM-rubriek 61 kan enkel uitgegraven bodem opgeslagen worden die voldoet aan de voorwaarden voor gebruik van de Vlarebo. Onder rubriek 2.1.3 vindt u de tussentijds opslagplaatsen terug voor uitgegraven bodem, die op geen enkele manier kan worden toegepast volgens hoofdstuk 13 van het VLAREBO. De uitgegraven bodem is dan een afvalstof. Deze partijen kunt u enkel nog afvoeren naar een opslagplaats voor afvalstoffen. Voor deze opslag is een milieuvergunning volgens VLAREM-rubriek 2 nodig. Vervolgens kunt u de verontreinigde bodem naar een grondreinigingscentrum of naar een stortplaats afvoeren, zodat naast Vlarem-rubriek 61.1 ook rubriek ook VLAREM-rubriek 2 vereist is. Uiteraard moet u voor andere VLAREM-rubrieken die op de opslagplaats van toepassing zijn eveneens een milieuvergunning hebben.