Beschrijvend bodemonderzoek

Wat?

In een beschrijvend bodemonderzoek (BBO) wordt een verontreiniging afgeperkt. Dit gebeurt door het uitvoeren van diepteboringen of door het plaatsen van peilbuizen rond de verontreinging. Deze afperking heeft als doel een driedimensionaal beeld te vormen van de vervuiling die onder de grond zit. Treft men in één van de omringende boringen nog verontreinging aan?  Dan wordt verder afgeperkt tot alle boringen rondom en in de diepte proper zijn. Het afperken gebeurt soms ook op een deel van een perceel of perceelsoverschrijdend.

Eens de omvang van de verontreiniging in kaart is gebracht, berekent de deskundige de risico's van deze verontreiniging op verspreiding, menselijke gezondheid en op vlak van ecotoxicologie. Daarbij is het bepalen van de juiste geologische samenstelling van de bodem essentieel. Het geeft immers een zicht op de wijze waarop de verontreiniging zich verspreidt. De mogelijke effecten op de menselijke gezondheid worden berekend met de hulp van risico-evaluatiemodellen of door rechtstreekse meting van de blootstelling van mens of milieu aan de verontreiniging.

Bij historische verontreiniging wordt gesaneerd wanneer er een risico uitgaat van de bodemverontreiniging. Bij nieuwe verontreiniging wordt gesaneerd bij overschrijding van de  bodemsaneringsnormen.

Kern en pluim

De bodem onder uw voeten bestaat uit drie componenten: vaste deeltjes, water en lucht. Een verontreinging kan in het vaste deel van de aarde zitten of in het grondwater. Vluchtige componenten hopen zich ook op in de bodemlucht. Soms lost de verontreiniging in het vaste deel van de aarde (kern) op in het grondwater en verspreidt die zich met de stroming van het grondwater (pluim). De bodemsaneringsdeskundige zoekt in dat geval uit waar de kern van de verontreiniging zit en hoe groot de pluim is. De kern is ontstaan op het 'bronperceel', waarbij de pluim zich verder kan uitstrekken over 'verspreidingspercelen'.

Wie?

Een beschrijvend bodemonderzoek moet uitgevoerd worden door een bodemsaneringsdeskundige type 2 in opdracht van de opdrachtgever.

Dit is:

  • de exploitant van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen
  • de gebruiker van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen
  • de eigenaar van de grond waar de verontreiniging tot stand is gekomen

Wanneer?

Er is een beschrijvend bodemonderzoek nodig in de volgende gevallen:

  • indien historische verontreiniging wordt aangetroffen waarvoor er een duidelijke aanwijzing is van een ernstige bodemverontreiniging
  • indien een nieuwe verontreiniging wordt aangetroffen die de bodemsaneringsnorm overschrijdt of dreigt te overschrijden. In de praktijk draait dit uit op een analysewaarde hoger dan 80% van de bodemsaneringsnorm voor die grond.

Hoe?

Een bodemsaneringsdeskundige type 2 moet een beschrijvend bodemonderzoek uitvoeren volgens de standaardprocedure beschrijvend bodemonderzoek.