Gebruik van bodemmaterialen - Opslag, behandeling en reiniging van bodemmaterialen

Bouwvergunning

Bij bouwen en verbouwen moet u in de meeste gevallen over een stedenbouwkundige vergunning (de bouwvergunning) beschikken. De begrippen bouwen en verbouwen worden daarbij heel ruim opgevat. Zo heeft u voor het ophogen van een terrein in sommige gevallen een bouwvergunning nodig. Voor meer informatie wendt u zich best tot de stedenbouwkundige dienst van uw gemeente.

Milieu- en omgevingsvergunning

Bij de langdurige opslag van bodemmaterialen en voor de behandeling ervan moet een onderneming over een milieu- of omgevingsvergunning beschikken. De vergunning regelt de uitbating van de inrichting. Alle ondernemingen of 'inrichtingen' die hinderlijk zijn voor het milieu of de mens zijn opgenomen in de indelingslijst als bijlage bij het VLAREM (Vlaams Reglement betreffende de milieuvergunning). Soms volstaat de melding van de activiteit en is geen milieuvergunning nodig.

Bij deze 'hinderlijke inrichtingen' wordt de bouwvergunning steeds gekoppeld aan de milieuvergunning. De koppeling bouwvergunning milieuvergunning werkt in beide richtingen. Dit betekent dat de bouwvergunning geschorst is zolang u niet over een milieuvergunning beschikt en omgekeerd dat de milieuvergunning geschorst is zolang u niet over een bouwvergunning beschikt.

Opslag, behandeling en verwijdering van verontreinigde bodemmaterialen

Onder VLAREM-rubriek 2. vindt u de inrichtingen voor de opslag en verwerking van bodemmaterialen, die niet kunnen worden toegepast volgens hoofdstuk 13 van het VLAREBO. De bodemmaterialen zijn dan afvalstoffen. Deze partijen kunt u enkel afvoeren naar een tijdelijke opslagplaats voor afvalstoffen. Vervolgens kunt u de verontreinigde bodemmaterialen naar een grondreinigingscentrum of naar een stortplaats afvoeren.

Grondreinigingscentra zijn bedrijven die vergund zijn voor de reiniging van verontreinigde bodemmaterialen. Een grondreinigingscentrum is steeds vergund voor de verwerking van afvalstoffen (rubriek 2). Een grondreinigingscentrum werkt volgens een code van goede praktijk. Deze maakt de werking van het grondreinigingscentrum en de procesvoering voor te reinigen stromen transparant en controleerbaar en minimaliseert secundaire emissies van verontreinigingen. Deze aanbevelingen zijn complementair aan de verplichtingen die worden opgenomen in de milieuvergunning.

Definitieve opslag van bodemmaterialen

Het opvullen van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers, met niet-verontreinigde uitgegraven bodem en niet-verontreinigde bagger- en ruimingsspecie wordt behandeld in rubriek 60 van het VLAREM. De opvulling is de eindbestemming van de bodemmaterialen. Het spreekt voor zich dat ook hier alle regels van het grondverzet gelden.

Om te bepalen welke kwaliteit de aangevoerde bodemmaterialen minstens moeten hebben, moet de vergunningsaanvraag een studie bevatten die het bewijs levert dat het gebruik van de bodemmaterialen als bodem geen verontreiniging van het grondwater kunnen veroorzaken en dat mogelijke blootstelling aan de verontreinigde stoffen geen extra risico oplevert. Dit inzicht wordt via verschillende wegen verworven, maar een degelijke geologische en hydrogeologische kennis, gestoeld op een voldoende grote set van lokale metingen is een voorwaarde. De studie van de ontvangende groeve  wordt volgens een standaardprocedure opgemaakt door een bodemsaneringsdeskundige. Het spreekt voor zich dat voor de aanvoer van de bodemmaterialen alle regels van het grondverzet gelden.

De definitieve opslag van bodematerialen die niet voldoen voor gebruik volgens het VLAREBO wordt beschouwd als het storten van de bodemmaterialen volgens rubriek 2 van het VLAREM.

Tijdelijke opslag van uitgegraven bodem

Een aannemer of vervoerder mag uitgegraven bodem die voldoet voor gebruik volgens de grondverzetsregeling. Onder VLAREM-rubriek 61.2 worden de tussentijdse opslagplaatsen ingedeeld die langer dan 1 jaar in exploitatie zijn én waarbij de opslagcapaciteit minstens 1000m³ bedraagt. De opslag van de verschillende partijen uitgegraven bodem op een tussentijdse opslagplaats is steeds tijdelijk en in afwachting van gebruik op en andere locaties. 

U mag dus een partij uitgegraven bodem die voldoet voor gebruik volgens de voorwaarden van VLAREBO opslaan zonder dat u een milieu- of omgevingsvergunning aanvraagt, als u de partij minder dan 1 jaar opslaat of indien de partij kleiner dan 1.000m³ is. In sommige gevallen heeft u echter nog steeds een bouwvergunning nodig.

Ongeacht of u nu vergund bent of niet, moet elke tussentijdse opslagplaats werken volgens een code van goede praktijk en volgens de procedure van een erkende bodembeheerorganisatie. De code van goede praktijk voor de tussentijdse opslag van bodemmaterialen heeft tot doel de werking en de procesvoering voor stromen uitgegraven bodem transparant en controleerbaar te maken. De procedure van de bodembeheerorganisaties zorgt dat de traceerbaarheid van de verschillende partijen uitgegraven bodem behouden blijft.

Opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie

De opslag en ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die voldoet aan de bepalingen over het gebruik van bodemmaterialen wordt geregeld onder rubriek 63. De tijdelijke oeverdeponie bij de ontwatering van bagger- of ruimingsspecie die wordt uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het VLAREBO is niet vergunningsplichtig en is dus niet ingedeeld in deze rubriek.

De opslagplaatsen werken volgens een code van goede praktijk voor tussentijdse opslag en volgens de procedure van een erkende bodembeheerorganisatie.

Erkenning

In de regelgeving voor het gebruik van bodemmaterialen kunnen de vergunde tussentijdse opslagplaats, het vergund grondreinigingscentrum of de vergunde inrichting voor de opslag en behandeling van bagger- en ruimingsspecie bijkomend een erkenning krijgen.

Deze erkenning is specifiek voor de grondverzetsregeling. Omdat de erkende bedrijven hun eigen bodembeheerrapporten afleveren, moeten zij naast de voorwaarden van de vergunning, voldoen aan alle voorwaarden van artikel 203 van het VLAREBO. Om te kunnen erkend worden, moeten de bedrijven werken volgens het goedgekeurd kwaliteitsreglement erkenning certificatie. De erkende bodembeheerorganisatie zal er periodiek op toezien dat deze voorwaarden gerespecteerd worden.

De erkenning in het kader van de regeling voor het gebruik van bodemmaterialen wordt bij de Vlaamse minister voor Leefmilieu aangevraagd. Volgende bedrijven zijn erkend:

Contact

OVAM - Klantenbeheer
015 284 458
grondverzeti@ovam.be