Krengenfinanciering

Financieringssysteem voor de ophaling en verwerking van krengen van landbouwhuisdieren

De ophaling en verwerking van krengen is voor veehouders een zware financiële last. Het geproduceerde diermeel en dierlijk vet mag immers niet meer worden gebruikt voor de productie van veevoeding, meststoffen of andere recyclagetoepassingen maar moet vernietigd worden.

Om de gulden middenweg te vinden tussen het principe ‘de vervuiler betaalt’ en het sluikstorten van dit dierlijk afval, met hinder voor mens, dier en milieu tot gevolg, heeft de overheid een systeem uitgewerkt om de financiering van deze ophaling en verwerking voor een deel te bekostigen.

Bedrijven

Producenten van landbouwhuisdieren worden onderverdeeld in bijdrageplichtige en niet-bijdrageplichtige producenten.

De bijdrageplichtige producenten zijn verplicht om een overeenkomst te sluiten met een erkende ophaler voor de financiering van de ophaling. Deze overeenkomst kan in de vorm van een abonnement. Jaarlijks worden abonnementsprijzen vastgelegd in een ministerieel besluit voor de veehouders die aangifteplichtig zijn bij de Mestbank.

Als een bijdrageplichtige producent geen abonnement neemt, wordt de ophaling verricht tegen een vergoeding per prestatie. Er werd een maximumvergoeding per ophaling vastgelegd in de erkenning van de erkende ophaler. Momenteel bedraagt deze 140,50 euro (excl. BTW) per ophaling.

Het Vlaamse Gewest betaalt het deel van de kosten dat niet door de abonnementen en prestatievergoedingen gedekt wordt. De ophaler/verwerker ontvangt hiervoor een tegemoetkoming die wordt uitbetaald door het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur.
Deze tegemoetkoming bedraagt 50% van de totale ophaal- en verwerkingskosten.

De steunmaatregel voldoet aan de voorwaarden van artikel 27 c) van Verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard.

Bedrijven waarvoor een bevel tot terugvordering bestaat van de Europese Commissie, worden uitgesloten van deze maatregel.

Particulieren

De ophaling van landbouwhuisdieren, uitgezonderd paardachtigen, bij particulieren is gratis. De ophaler/verwerker ontvangt hiervoor een tegemoetkoming die wordt uitbetaald door het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur.

De minister van Leefmilieu bepaalt jaarlijks het tarief voor het ophalen en verwerken van kadavers van landbouwhuisdieren na advies van de werkgroep financiering van de Commissie Dierlijk Afval. In deze werkgroep zetelen vertegenwoordigers van de landbouworganisaties, de overheid (regionaal en federaal) en de erkende ophaler/verwerker. Bovenop de totale kostprijs krijgt de erkende ophaler/verwerker een ondernemersvergoeding. De kostprijs is onderworpen aan een controle door een onafhankelijk auditkantoor dat aangesteld wordt door de OVAM.

Dode gezelschapsdieren en ander dierlijk afval vallen niet onder bovenstaande regeling en zijn volledig voor rekening van de aanbieder.

Begraving van krengen van landbouwhuisdieren is niet toegestaan, tenzij in noodsituaties uitdrukkelijk toestemming wordt gegeven door de OVAM.

De wettelijke regeling omtrent de krengenfinanciering staat beschreven in het Besluit van de Vlaamse Regering betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten van 21 juni 2013, artikelen 4 en 5.

Kosten voor de ophaling van gestorven paarden

Vanaf 1 januari 2021 maakt de OVAM een onderscheid tussen paardachtigen die gehouden worden als gezelschapsdier, en paarden die gehouden worden als landbouwdier. Dit heeft gevolgen voor de financiering van de ophaling van dode paardachtigen(*).

Tot nu toe werden de kosten van de ophaling en verwerking van gestorven landbouwdieren, waaronder paardachtigen, bij particulieren betaald door het Vlaamse Gewest. Deze steunmaatregel is echter enkel bedoeld voor landbouwdieren, terwijl veel paarden eerder een functie als gezelschapsdier hebben. De kosten voor de ophaling en verwerking van dode gezelschapsdieren moeten betaald worden door de eigenaar.

In 2010 stelde de Europese wetgeving (**) regels vast omtrent de identificatie van paardachtigen.
Deze dieren moeten binnen een jaar na geboorte geïdentificeerd worden (via microchip, paspoort en registratie in de centrale databank).
Ze krijgen dan een sanitaire status ”behouden of uitgesloten voor menselijke consumptie”.

Vanaf 1 januari 2021 beschouwt de OVAM paardachtigen met de status

  • “behouden voor de voedselketen” als landbouwdieren
  • “uitgesloten voor de voedselketen” als gezelschapsdieren

Dieren die niet gechipt zijn worden automatisch als gezelschapsdieren beschouwd.

Gevolgen voor eigenaars van paardachtigen:

Mijn paardachtige is gechipt als “behouden voor de voedselketen”

  • het dier moet binnen 24 uur na overlijden met chipnummer gemeld worden aan Rendac;
  • indien uw paard als landbouwdier kan worden beschouwd betaalt u aan Rendac minimaal een vast bedrag. Na verificatie kan hiervan een deel worden terugbetaald.

Mijn paardachtige is gechipt als “uitgesloten voor de voedselketen” of niet gechipt

  • het dier moet binnen 24 uur na overlijden met chipnummer gemeld worden aan Rendac;
  • er is geen steunbedrag voorzien. U staat zelf in voor de kosten van de ophaling en verwerking.

Bijkomende verplichtingen voor de eigenaar:
U meldt de dood van het dier rechtstreeks in de centrale gegevensbank (www.horseid.be) of u meldt de dood aan de Belgische Confederatie van het Paard die de databank aanpast. U bezorgt het paspoort aan een instantie van afgifte. De instantie van afgifte controleert de dood van het dier in de centrale gegevensbank. Het identificatiedocument wordt vervolgens door de instantie van afgifte ongeldig gemaakt, en daarna vernietigd of teruggestuurd naar de houder.
De opgave van het chipnummer bij de melding aan het destructiebedrijf is niet voldoende!

 

* Paarden (paardachtigen) : de dieren, gedomesticeerd of wild, van het paardengeslacht, zebra’s, ezels en hun kruisingsproducten inbegrepen

** Verordening 504/2008 van de Commissie van 6 juni 2008 ter uitvoering van de Richtlijnen 90/426/EEG en 90/427/EEG van de Raad wat betreft methoden voor de identificatie van paardachtigen , nu vervangen door verordening 2015/262 van de Commissie van 17 februari 2015 tot vaststelling van voorschriften overeenkomstig de Richtlijnen 90/427/EEG en 2009/156/EG van de Raad met betrekking tot de methoden voor de identificatie van paardachtigen